|
Opa
Auteur: Ton Kuppens
Publicatie: Altena Nieuws - donderdag 19 januari 2012
Vandaag wil ik een onderwerp aansnijden dat me al een tijdje bezig houdt. Het grootouderschap of populair gezegd het ‘opa’ zijn. Opa wordt je niet op eigen verzoek, je wordt het omdat je kinderen kinderen op de wereld zetten. Ik mag me verheugen in 4 lieve kleinkinderen. Drie meisjes, respectievelijk 13, 10 en 4 jaar en een kleinzoon die binnenkort 1 jaar wordt. Overzienbaar en namen en verjaardagen weet ik uit mijn hoofd. Geen schoondochter, zoon of echtgenote nodig om me daarvan op de hoogte te houden. Ik ben dus nog niet als Wim Sonneveld. Misschien herinnert u zich zijn conference ‘Opa’ nog. Niet zijn sterkste, dat is nog steeds het postloket waar de postbeambte - nu een uitgestorven beroep - het bloed onder de nagels haalt van een kapper die een postzegel van een kwartje wil hebben. De lokettist biedt hem een serie kleinere waarden aan omdat die zulke mooie kleuren hebben en dat Hare Majesteit er zo bééééldig op staat, maar samen wel 26 cent kosten. De kapper raakt na enkele minuten postzegelgejubel van de lokettist oververhit, brult om de chef en als die vraagt waarom de lokettist de klant zo treitert, zegt hij: “Die man is mijn kapper en als ik mijn haar laat knippen biedt hij me van alles aan terwijl ik alleen maar geknipt wil worden.” Snel terug naar de Opa-conference van Wim Sonneveld. Leuk, vooral als je zelf ook opa bent. Hij zit in het bejaardenhuis, en mijmert over zijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Bosjes heeft hij er en hij weet allang niet meer wie wie is, waardoor hij het cadeautje, door de moeder gekocht, aan de verkeerde geeft. Zover ben ik dus nog niet. Ik ken ze nog steeds. Op de verjaardagen stromen buurtgenoten en vrienden met hun kroost in dezelfde leeftijd als mijn jarige kleinkind binnen. De meeste ken ik niet en ben ook niet van plan om ze te leren kennen. Die bezoekers zijn over het algemeen passanten, heb ik ontdekt. Elk jaar weer nieuwe ouders met kinderen die op dezelfde crèche of basisschool zitten. Nieuwe vriendjes en vriendinnetjes, en allemaal aan een pakje frisdrank, kliederend met de taart of hapjes stelend als hun mama niet kijkt. De papa’s kijken sowiezo niet naar hun koters. Ik amuseer me met de bezoekers te observeren en verbaas me over de afwisseling. Sommige komen elk jaar terug maar ineens mis ik iemand en als ik dan vraag waar dat knappe vrouwtje met die slungel van een man en twee jengelende kinderen is gebleven, dan kijkt ten eerste mijn wederhelft zeer streng en ten tweede trekt mijn directe nazaat of diens echtgenote een vragend gezicht, alsof ik dement zit te zwammen. Afgevoerd blijkbaar, denk ik. De meeste bezoekers komen netjes een hand geven en stellen zich voor. Ik dus ook en dan gebeurt het. “Oh, u bent de opa?!” Ik knik bevestigend, maar dat is een enorme stommiteit. Ik moet dat niet meer doen, want vervolgens wordt je nooit meer aangesproken met meneer Kuppens of Ton maar als opa. “En, opa, smaakt de taart?” of: “Vindt opa het ook zo gezellig?”, of: “Kom Shanee (of Jade of hoe die tegenwoordige kindertjes exotisch benoemd worden) geef opa eens een handje...” Het jong is natuurlijk weerbarstig en weigert. Terecht, want het is ze geleerd om vreemde mannen geen handje te geven, te wantrouwen en direct naar mama te rennen. Sta ik daar met mijn uitgestoken hand en een glimlach en voel me als een clown op een kermis. Dat is al naar, maar het feit dat je aangesproken wordt met ‘opa’ is zo mogelijk nog naarder. Ik ben hun opa niet, ik ben de opa van mijn jarige kleinkind. Zelfs een van mijn zoons liep laatst te opa-en. Daar heb ik onmiddellijk een eind aan gemaakt. “Hela knul”, zei ik, dat ge-opa spuugzat zijnde, “ik ben voor jou geen opa maar je vader en je spreekt me dus aan met pa, of als je heel veel van me houdt met papa. Behalve voor mijn kleinkinderen heb ik een naam.” Hij keek nogal vreemd op en ik zag weer de gepijnigde blik van vroeger toen ik bezig was hem op te voeden. “Hebben wij dat vroeger ook gedaan?”, vroeg ik mijn wederhelft. Ze is daar heel direct in: “Nee, maar wat maakt het uit? Je bent toch opa?” Even overwoog ik daar tegen in te gaan maar besefte bijtijds dat ik geen schijn van kans maakte gelijk te krijgen. Toen ik aankondigde dat ik dat ge-opa ging bestrijden, vroeg eega me hoe ik dat aan wilde pakken. “Wel, als iemand, behalve de kleinkinderen me ‘opa’ noemt, zeg ik dat ik hun opa niet ben.” “Als je dat maar uit je hoofd laat”, zei ze. “Je bent opa, of je het nu leuk vind of niet en je hebt er de leeftijd voor.” Vrouwenlogica, schijnbaar geen speld tussen te krijgen, maar ik ga het toch bestrijden…
|